Imkersvereniging Zuidlaren
Kennismakingscursus

Kennismakingscursus voor mensen die zijn geïnteresseerd in bijen en/of bijenhouden.
Deze cursus is voor het eerst gestart in Zuidlaren in april 2001 en loopt elk jaar.
Samenstellers: Jan Enne Dees en Gerrit Freije
Voorwoord
 Bij het geven van voorlichting over bijen en imkeren, tijdens lezingen en markten, blijken er steeds weer mensen te zijn die graag meer willen weten. Puur uit belangstelling voor de wereld van de
honingbij of omdat er wordt overwogen om bijen te gaan houden. Om aan deze vraag te voldoen organiseert de Imkervereniging Zuidlaren e.o. de Kennismakingscursus Bijen. De cursist krijgt de mogelijkheid om het leven van de honingbij te zien en te volgen vanaf de
uitwintering in het voorjaar, via het zwermen, een nieuwe koningin, de honingwinning en tot en met het inwinteren aan het einde van het seizoen.
In deze cursus komen de verschillende aspecten van het leven van de honingbij en het houden ervan aan de orde. De
cursus beoogt niet een volledige cursus te zijn om daarmede voldoende basis te hebben om bijen te gaan houden, maar wel om aspirant imkers het gevoel te geven of bijenhouden iets is om als hobby te
beoefenen. Deze cursus wordt in enigszins aangepaste vorm gegeven aan jonge mensen vanaf 12 jaar. Zij ontvangen de volledige cursus op CD Rom, waarbij een exclusieve uitgave van Suske en Wiske
is opgenomen, die wel zeer eigenaardige avonturen beleven in een bijenkast. De Imkervereniging Zuidlaren is de gemeente Tynaarlo en de provincie Drenthe erkentelijk voor de verstrekte financiële
bijdrage. Mede dankzij deze steun kon de cursus worden gerealiseerd.
INHOUD
- Historie van de honingbij
- Prehistorie
- De eerste imkers
- Bedrijfsmatig imkeren
- Het bijenleven in vogelvlucht
- De bij, het volk
- De ecologische plaats van de honingbij
- De levenscyclus van de honingbij
- Het leven van de werksterbij
- Het bijenvolk
- Algemeen
- Samenstelling van een volk
- Taakverdeling in het volk
- Oriëntatie
- Zwermen
- Het natuurlijke zwermen
- Zwermdrift
- Zwermtekenen
- De voorzwerm
- Tuten en kwaken
- De nazwerm
- De kunstzwerm
- Bruidsvlucht
- Aan de leg
- Van ei tot bij
- Huisvesting
- Algemeen
- Bijenkasten
- Het bijenraampje
- De kastkleur
- De bijenstand
- Het verplaatsen van een volk
- Oriëntatie
- Bijendans
- Bloemvastheid
- Bijensteken
- Algemeen
- Onschuldige zwelling
- Allergische reactie
- Vergiftiging
- Drachtplanten
- Bijenweide
- Voorjaar
- Zomer
- Nazomer
- Voeren
- Verbetering bijenweide
- Drachtplantenlijst
- Bijenproducten
- Algemeen
- Honing
- Was
- Propolis
- Koninginnegelei
- Bijengif
- Stuifmeel
- Ziekten en plagen
- Algemeen
- Varroamijt
- Microbiologische aantasting
- Amerikaans Vuilbroed
- Nosema
- Natuurlijke afweer tegen ziekten en plagen
- In de winterrust
- Nazomer
- Winter
- Vroege voorjaar
- Voorjaarsinspectie
- Omgaan met bijen
- Hulpmiddelen
- Inspectie
- Handelingen in volgorde
- Wetenswaardigheden omtrent een bijenvolk
- Na de kennismakingscursus en dan...
- Algemeen
- VBBN
- Imkervereniging Zuidlaren e.o., anno 1893
- Boekenlijst
1. HISTORIE VAN DE HONINGBIJ
1.1 Prehistorie
Ongeveer 10.000 jaar geleden ontdekte de mens hoe hij dieren en planten kon domesticeren. Hierdoor hoefde er niet langer alleen maar gejaagd en verzameld te worden om in de levensbehoeften te
voorzien. De tijd om als nomaden in kleine groepen rond te trekken was niet meer aanwezig. In die tijd was ook de tijd aangebroken om te trachten de honingbij te domesticeren. Uit rotsschilderingen
van zo´n 15.000 jaar oud is gebleken dat de eerste pogingen van de mens om aan de zoete honing te komen was door het honingjagen. Bijennesten werden opgespoord en met behulp van touwladders
benaderd en geplunderd. Al snel was er sprake van het gebruik van rook om de bijen te kalmeren.
1.2 De eerste imkers
De oude Egyptenaren staan te boek als de eerste imkers, 2000 jaar voor Christus. Zij gingen bijen houden in verplaatsbare behuizingen. De eerste bijenwoningen bestonden uit gevormde en gedroogde
klei in cilindervorm. Deze cilinders konden worden gestapeld. In later tijd werden door de Grieken de kleicilinders gebakken (terra cotta). De Egyptenaren reisden per boot met het voorjaar mee met de
bijenvolken van zuid naar noord langs de Nijl. In de Romeinse tijd kwamen ook de holle boomstammen voor en ook cilinders van gevlochten riet en ook al de rechthoekige houten kast. De behuizingen
hadden alle aan de voorkant een klein vlieggat en aan de achterzijde een deksel. Leefwijze en ontstaan van bijen is onderzocht door de wijsgeer Aristoteles, ca. 350 jaar voor Christus. Aristoteles
benoemde de angelloze darren tot de vrouwtjes, de koningin was de koning en de werksters (met angel ) waren de soldaten. Deze wijsheden hebben nog stand gehouden tot ca. 1700 na Christus.
1.3 Bedrijfsmatig imkeren
In de 18e eeuw werden stap voor stap de eerste korven met losse bouw (demontabele raten) vervaardigd. De raten hoefden niet te worden uitgebroken om de honing te winnen en de bijenvolken konden
worden behouden. Ook werd gewerkt aan de etagebouw om honing
en broed gescheiden te houden. In tijden met grote dracht werden extra etages op de bijenwoning gezet om daarin de honing te laten opslaan door de bijenvolken. In 1790 ontwierp de Zwitser Huber de
eerste bijenkorf met verwisselbare ramen. Hij kwam er na veel experimenteerwerk achter dat wanneer de ramen een afstand hart op hart van 32 mm hadden in de korf, dat dan de bijen de raten op de
juiste plaats in de ramen gingen bouwen. De ruimte tussen de raten moest ca. 1 cm bedragen, anders bouwden de bijen de raten aan elkaar. De tussenruimte van 1 cm laat voldoende ruimte om de bijen op
de raten te laten lopen. De ruimten boven en onder raten en voor en achter moest 0,5 cm zijn, voldoende om een bij te laten passeren. Bij meer ofwel minder ruimte bouwen de bijen de ruimtes vol. In
1851 ging de heer Langstroth uit Filadelphia een stap verder dan Huber en ontwierp een kast met losse ramen. Dit is de bijenkast waarmee de imker ook heden ten dage nog werkt, alhoewel er nog vele
verbeteringen in het bedrijfsmatige systeem van Langstroth zijn aangebracht in de loop van de tijd. Denk maar aan de losse vellen kunstraat met daarin een wapening van ijzerdraad. En het
koninginnerooster om het broednest en de honingraten te scheiden. Ondanks alle inspanningen is de mens er niet in geslaagd de honingbij te domesticeren. De mens heeft zich geleidelijk meer aangepast
om aan de behoeften en voorkeuren van de bijen tegemoet te komen.
2. HET BIJENLEVEN IN VOGELVLUCHT
2.1 De bij, het volk
Bij een sociaal gericht insect als de honingbij is op zich niet de levenscyclus van een individuele bij van belang, maar juist de cyclus van de sociale staat, het bijenvolk. Het bijenvolk is
eigenlijk te beschouwen als en soort supermechanisme, het voedt en vermenigvuldigt zich als één geheel, het verplaatst zich als één geheel en eigenlijk lijkt ook de
ademhaling meer op die van één dier. De onderdelen van dit organisme zijn de vrouwelijke individuen, de tienduizenden werksters en één koningin. De werksters zijn
onvolledig ontwikkeld, ze zijn niet in staat te paren. De koningin (of moer) is het enige vruchtbare exemplaar en kan tot 2000 eieren per dag leggen. In het voorjaar tot aan september zijn enkele honderden mannelijke bijen aanwezig, de darren. Darren zijn angelloos
en alleen nuttig om de koningin te bevruchten. De werksters staan volledig in dienst van de kolonie en zij bouwen de honingraten, verzorgen het broed, houden de korf hygiënisch schoon en bewaken
de korf en verzamelen het voedsel. Daarom bekijken we eerst het leven van de kolonie.
2.2 De ecologische plaats van de honingbij.
Elke soort heeft zijn eigen plaats in de natuur. Dat is een plaats die afwijkt van andere soorten in het milieu waar het dier voorkomt. Anders zouden twee of meer soorten directe concurrenten van
elkaar zijn en elkaar willen verdringen en uiteindelijk elkaar gaan uitroeien. Doordat de leefwijze van honingbijen met enkele specifieke kenmerken verschilt van andere insecten, kunnen de
honingbijen naast andere insecten en ook naast andere bijen bestaan. Nectar is de koolhydraatbron voor bijen, het levert de nodige energie. Aan de nectar worden door de bijen enzymen toegevoegd voor
de houdbaarheid en de nectar wordt ingedikt tot 80% droge stof, waardoor er mede voor wordt gezorgd dat de nectar wordt getransformeerd in honing. Stuifmeel wordt verzameld om de koningin
(eierproducente) en de larven te voeden. De bloemen die afhankelijk zijn voor de bestuiving van insecten, produceren eiwitrijk stuifmeel, om de insecten te gerieven en daarmede hun voortplanting
veilig te stellen. Bijen brengen het grootste deel van het stuifmeel naar hun nest, maar er blijft voldoende over om vliegend van bloem naar bloem, van dezelfde soort, om voor een goede
kruisbestuiving te zorgen. Het bijzondere van honingbijen is dat het kolonies zijn, maar nog meer dat het meerjarige kolonies zijn. Bijenvolken zijn zodra het voorjaar komt al in staat om massaal uit
te vliegen voor de eerste bloeiende planten. Juist dit aspect om reeds vroeg in het voorjaar klaar te staan om planten te kunnen helpen bij de bevruchting en daarmee alle andere insecten voor te
zijn, vormt de ecologische niche van de honingbij. Honingbijen zijn geëvalueerd in de tropische regenwouden. In India leven de Apis dorsata (reuzenbij) en de Apis florea (dwerghoningbij). Deze
soorten leven in de buitenlucht, ze bouwen hun raten aan rotsen of takken. Mieren, wespen, vogels en allerlei zoogdieren zijn hun belagers. Een derde soort, de Apis cerana, heeft een afweer tegen de
belagers gevonden, door een nest in een afgeschermde ruimte te bouwen, meestal een holle boom. Deze strategie kent ook een nadeel, namelijk dat de nesttemperatuur in de tropen moeilijk beheersbaar
is. Dit is voor de meer gematigde klimaatzones geen nadeel, maar een voordeel om de winter door te komen. Vandaar dat vanuit de Apis cerana vele andere rassen zijn ontstaan die zijn gemigreerd en
geëvalueerd naar ook onze streken. Dit is de Apis mellifera. De Apis mellifera heeft zich nog verder aan moeten passen om voor de winters in de gematigde klimaatzone een honingvoorraad en
stuifmeelvoorraad op te slaan. Juist deze eigenschap om veel honing te verzamelen om in deze klimaatzone te kunnen overleven heeft de Apis mellifera voor de mens commercieel aantrekkelijk
gemaakt.
2.3 De levenscyclus van het bijenvolk
We gaan verder met de honingbijen in de gematigde klimaatzones (Apis mellifera). In de winter bevindt de kolonie zich in een rusttoestand. De bijen zitten met tienduizenden dicht opeengepakt op de
raat, en wel op het gedeelte waar zich voorraden bevinden, in een bolvorm In het midden van de bolvorm bevindt zich de koningin. De bijen produceren warmte door hun spieren te gebruiken. De winter
temperatuur is middenin de tros 25 graden en in de periferie van de tros tot 15 graden. De buitenste bijen van de tros kruipen weer naar binnen wanneer zij te koud worden en worden daardoor afgelost
door andere werksters. Wanneer de dagen flink beginnen te lengen in februari wordt de koningin door de hofstaat weer met eiwitrijk voedsel gevoerd. Dit heeft tot gevolg dat de koningin met de eierleg
begint. Met de start van de eierleg wordt
de temperatuur binnen in de tros opgevoerd tot de broedtemperatuur van 36 graden Celsius. De larven komen na drie dagen uit het ei en worden eerst drie dagen gevoerd met voedersap dat door de
werksters met hun klieren wordt afgescheiden. Na de eerste
drie dagen gaan de werksterlarven over op een dieet van honing en
stuifmeel. Als de larve 6 dagen oud is, is ze volgroeid en gaat zich
verpoppen. De cel wordt met een poreus wasdeksel afgesloten. Het
popstadium van een werkster duurt 12 dagen. In deze 12 dagen vindt de
metamorfose plaats tot een volwassen werksterbij. De jonge bij knaagt
het wasdekseltje weg en voegt zich bij het bijenvolk. In een aantal
gevallen worden onbevruchte eieren gelegd. Hieruit worden na een
popstadium van 15 dagen de darren geboren, tot enige honderden per volk.
Het aantal darren wordt bepaald door de werksters, want die bepalen het
aantal te bouwen darrencellen. Een darrencel is in doorsnede groter dan
een werkstercel. De koningin meet de omvang van de cel om te bepalen of
een onbevrucht of een bevrucht ei moet worden gelegd. Het aantal bijen
begint na 15 april sterk toe te nemen, dan kunnen er wel 30.000 eieren
en larven in de kast aanwezig zijn. Na half mei komt de kolonie op de
maximale sterkte, 50.000 à 60.000 bijen. De kolonie wordt te groot en
zal aanstalten gaan maken om zich op te delen. De werksters gaan
koninginnecellen bouwen, die onder aan de raat hangen of in een deuk aan
de raat. Totaal zo´n 6 à 12 moercellen. De larven in deze cellen krijgen
hun hele larventijd (zes dagen) koninginnebrij te eten. Hierdoor wordt
de larf tot volwaardig vrouwelijk insect. Het popstadium van de koningin
duurt 7 dagen. Zodra de koninginnecel wordt afgesloten met een
wasdekseltje gaat de oude koningin aanstalten maken om de kast te
verlaten. Ze gaat minder eieren leggen en sterk afslanken. Een dag of
vijf voordat de eerste jonge koningin uit zal komen gaan de koningin en
de helft van het volk de kast, met de buik vol voedsel, verlaten. Dit heet de voorzwerm. De zwerm zal trachten een nieuwe
huisvesting te vinden, waar een geheel nieuw nest moet worden gebouwd.
Intussen wordt in de oude kast de eerste nieuwe koningin geboren. Deze
gaat nogmaals met de helft van het volk er vandoor. Hierna kan zich het
zwermen mogelijk nog een keer herhalen. Uiteindelijk blijft in een
natuurlijk gebeuren maar een gering aantal bijen (5 a 10.000) over met
één jonge koningin. De jonge koningin vliegt na ongeveer 7 dagen uit om
met een aantal darren te paren. Deze bevruchting is voldoende voor het
hele leven van de koningin om eieren te leggen gedurende maximaal vijf
jaar. In de oude kast wordt van nu af aan hard gewerkt om het bijenvolk
weer op normale sterkte te krijgen en om de hoeveelheid honing en
stuifmeel op te slaan om te kunnen overwinteren. Met ingang van de maand
augustus worden de darren als overbodig de kast uitgewerkt. De cyclus
van het bijenvolk is rond.
2.4 Het leven van de werksterbij
De werksterbijen kennen ook een cyclisch levenspatroon. Uit de pop gekomen beginnen ze zich zelf te reinigen en vervolgens cellen te poetsen voor de eieren en voedselopslag. Een twintigtal bijen is
continue bezig met cellen reinigen. Dat gebeurt grondig, per cel circa 40 minuten. Een koningin zal alleen zeer goed gereinigde cellen beleggen. Dit is met het oog op het tegengaan van ziekten. Na
enige dagen zijn de voedersapklieren ontwikkeld en begint de werkster aan de taak om de larven te voeren. Per larve wordt door totaal 2700 verschillende werksters een aantal bezoeken gebracht voor de
verzorging van 10.000 keer in zes dagen. Na het voedsterstadium komen de werksters aan de taak toe om was te zweten voor de bouw van raten, het afdichten van cellen met larven of met honing.
Eén kilo honing levert 60 gram was op. Eén kilo was is voldoende voor de bouw van 80.000 cellen. De cellen zijn volkomen hexagonaal gebouwd, dit levert de sterkste raat met de minste
bouwstof. De raten worden verticaal gebouwd,
de cellen staan daar met een hoek van 13 graden omhoog gericht op. Dit
om te voorkomen dat de honing er gemakkelijk uitloopt Nadat de
wasklieren hun functie verliezen worden de werksters ingeschakeld bij
het ontvangen en verwerken van voedsel dat uit het veld wordt
aangevoerd. De werksters nemen het stuifmeel en de nectar over en voegen
enzymen toe en slaan het voedsel op in de raten. In een bijenvolk vindt
continue uitwisseling van voedsel plaats Hierdoor zou je kunnen zeggen
dat alle bijen in een volk over een gezamenlijke maag beschikken. De
volgende taak voor de werksters is dat de kast moet worden bewaakt tegen
allerlei rovers, maar vooral tegen bijen van andere volken. Het is
immers vel efficiënter om honing te stelen dan om dit moeizaam te
verzamelen in bloemen. De zwakste volken worden de klos van rovende
bijen. De rovers worden herkend door hun gedrag, niet echt durven, en
door hun afwijkende nestgeur. De werksterbijen beschikken over een
deugdelijke afweer in de vorm van hun angel met gifspuit. De laatste
taak van de werkster is het werk buitenshuis. Nectar, stuifmeel en
propolis verzamelen. Deze taak begint na ongeveer twee weken en duurt
ongeveer 3 weken. De vluchten gaan meestal tot maximaal 3 km van de
kast, maar dat kan uitlopen tot 10 km. Een werkster kan maximaal haar
eigen gewicht vervoeren, dat is 60 milligram Na vijf weken is de
werksterbij versleten en gaat ze dood. In vele gevallen blijven de
werksters in het veld achter. Een werksterbij kan in haar leven 7 gram
honing verzamelen in 400 vluchten in totaal ongeveer een afstand van 800
km. Doordat 15.000 haalsters actief zijn wordt de prestatie van het
gehele volk toch bewonderingwaardig groot
3. HET
BIJENVOLK
3.1 Algemeen De honingbij is een insect dat leeft van nectar en
stuifmeel van de planten. Een bij is dus niet georiënteerd op de mens en
zal de mens dus niet steken, zolang deze de bijen niet behoorlijk
stoort. Als een imker een bijenkast openmaakt, betekent dit meestal een
behoorlijke storing van zo'n volk. Regelmatig eens een steek oplopen is
voor een imker niets bijzonders. Gezien de elastische huid van de mens
en het feit dat de bijenangel weerhaakjes heeft, blijft de angel van de
bij die gestoken heeft, in onze huid zitten. Met een mes of iets
dergelijks weghalen en niet knijpen. Dan knijp je alle gif juist in jouw
lichaam. De bij die gestoken heeft, rukt zich los waarbij de angel en de
gifblaas worden losgerukt van het lichaam, de bij sterft daarna
spoedig.
3.2 Samenstelling van een
volk In een bijenvolk kunnen wij drie typen
bijen aantreffen:
- De
koningin
- Dit is
een vrouwelijke bij, waarbij de geslachtsklieren (ovaria) normaal
zijn uitgegroeid. Zij is de enige bij in een volk die eitjes
legt.
- Werksters
of werkbijen
- Dit zijn
vrouwelijke bijen, waarbij de ovaria niet tot ontwikkeling zijn
gekomen. De angel wel.
- Darren
- Dit zijn
mannelijke bijen. Zij hebben geen angel.
In onderstaand schema is te zien hoe de aantallen
's zomers en 's winters variëren:
|
's zomers |
's winters |
| Koningin |
één |
één |
| Werksters |
60.000-80.000 |
15.000-25.000 |
| Darren |
enkele honderden |
geen | Een koningin kan 4
tot 5 jaar leven. Werkbijen leven 's zomers 6 weken en 's winters
ongeveer 6 maanden. Deze winterbijen moeten de winterperiode
overbruggen. Daarom verzorgen zij in het najaar geen broed. De
voedersapklieren worden niet tot productie gestimuleerd. Ze leggen
daarentegen in hun achterlijf een eiwit - vet - lichaam aan, dat
waarschijnlijk hun levensduur bepaalt. Darren
leven ongeveer 6 tot 7 weken. De darren die aan het einde van het
seizoen (augustus/september) nog in het volk aanwezig zijn worden door
de werksters uit het volk verstoten. Hen wordt de toegang tot de kast
geweigerd of ze worden doodgestoken. Dit heet de darrenslacht.
3.3
Taakverdeling in het volk De werkbijen
verrichten het meeste werk. Hun taken in de zomerperiode zullen nader
worden opgesomd. De zes weken dat de werkbij leeft zijn opgesplitst in
drie weken binnendienst en drie weken buitendienst. De eerste drie weken moeten de werkbijen:
- cellen
poetsen
- broed
verzorgen, met name larven voeren en warm houden
- nectar en
stuifmeel overnemen en verwerken
- was zweten
en raten bouwen
- de koningin
verzorgen
Aan het einde van de eerste drie weken moeten de
werksters de vliegopening bewaken: de wachters of waakbijen. De darren
hebben als enige taak het bevruchten van jonge koninginnen. Dit komt
vooral voor in de zwermtijd: half mei - half juni.
3.4
Oriëntatie
Bijen oriënteren zich op de
omgeving en op de kast waar ze wonen. Het is van belang dat zij hun kast
feilloos weten terug te vinden, ook vanaf drie kilometer afstand. Kunnen
ze de kast niet terug vinden dan gaan ze dood. Om efficiënt te kunnen
halen moeten ze de weg goed weten. De tweede
periode van drie weken wordt begonnen met het verkennen van de omgeving:
invliegen. Zij moeten zich ori ënteren op de omgeving en op de plaats van hun kast.
De buitenbijen vliegen uiteindelijk tot drie kilometer van hun kast. Bij
het verplaatsen van bijenvolken moet de imker daar terdege rekening mee
houden. Hij moet een volk minimaal 6 kilometer verplaatsen wil hij geen
kans hebben dat er werkbijen op de oorspronkelijke plaats terugkeren. Na het verkennen van de omgeving worden de
buitenbijen dus haalbijen.
Zij halen:
- Nectar
- Stuifmeel
- Water
- Propolis
Nectar en water worden vervoerd in de
honingblaas. Stuifmeel en propolis neemt de werkbij mee in de
stuifmeelkorfjes aan de achterpoten. De koningin
heeft als enige, belangrijke, taak eitjes te leggen. Zij begint hiermee
in februari en stopt pas weer in oktober/november. In onderstaand schema
is te zien hoe de eileg verloopt door het jaar heen.
Gemiddeld aantal eitjes per dag:
|
| februari |
135 |
eindjuni |
1081 |
| maart |
220 |
juli |
668 |
| april |
309 |
augustus |
348 |
| begin mei |
1008 |
begin september |
450 |
| mei |
1450 |
september |
83 |
| begin juni |
1538 |
naseizoen |
0 |
Voor de oriëntering maken de bijen gebruik van:
- Vorm
- Bijen
onderscheiden vormen. Door alle kasten dezelfde vorm te geven en
bovendien grote aantallen dicht bij elkaar te plaatsen maakt men het
voor de bijen moeilijker. De kans op vervliegen wordt groter.
Vervliegen wil zeggen dat bijen naar andere kasten vliegen dan waar
ze thuis horen. Als ze niks te bieden hebben is de kans groot dat ze
worden afgestoken door de wachtbijen.
- Kleur
- Bijen
kunnen vier kleuren goed onderscheiden: wit, geel, blauw en
blauwgrijs. De andere kleuren zijn voor bijen niet meer dan donker
en licht. De kastkleur is dus van belang voor een goede herkenning
van de eigen kast.
- Geur
- Bijen
kunnen een geur produceren die kenmerkend is voor hun eigen kast.
Dit gebeurt door het stertselen. Zij doen dit met name in de buurt
van het vlieggat als er druk wordt gevlogen, als de jonge bijen
voorvliegen en als de jonge koningin op bruidsvlucht is. Ook als de
kast open is geweest vertonen de bijen dit gedrag, bijen die zijn
uitgevlogen kunnen de kast gemakkelijker terugvinden.
4. ZWERMEN
4.1 Het natuurlijke
zwermen In de loop van het voorjaar, als de
temperatuur stijgt en de plantenwereld in volle bloei raakt, groeit het
bijenvolk naar het hoogtepunt van zijn bestaan, de zwermperiode. Als de
imker niet ingrijpt dan kunnen we getuige zijn van het natuurlijk
zwermen, dat uniek is in de natuur en prachtig om een keer te beleven.
Bij de oude korfteelt liet men het volk zijn gang gaan, met het gevolg
dat er in de zwermtijd dagelijks meerdere zwermen konden afkomen die
moesten worden geschept. Op het platteland was dat geen bezwaar, er was
altijd wel iemand om een oogje in het zeil te houden. De omgeving
leverde ook geen problemen op, men had de ruimte en er was altijd wel
een boom waar de zwerm in kon gaan hangen. Tegenwoordig ligt de situatie
vaak heel anders, wie past er overdag op de bijen, welke buren vinden
het prettig dat er een bijenzwerm in hun tuin komt. Om maar niet te
spreken van de zwermen die in een spouw of schoorsteen gaan hangen. Het
is dus zaak om het natuurlijk zwermen te voorkomen. Dat kan door het
maken van een kunstzwerm. Maar eerst iets over het natuurlijk
zwermverloop.
4.2 Zwermdrift
Ieder bijenvolk wil zwermen, dat is de
natuur. De wil om zich te vermenigvuldigen en de soort in standhouden is
universeel. Zonder dat zou zo'n volk uitsterven. Er is maar één koningin
in een volk en die heeft niet het eeuwige leven. Een bijenvolk
vermenigvuldigt zich door te zwermen. Hier tegenin gaan werkt niet. De
imker kan doppen breken wat hij wil, het volk wil en zal zwermen, soms
op een alleen maar belegde dop.
4.3 Zwermtekens Voor het bevruchten van de nieuwe koninginnen zijn
darren nodig. Meestal wordt er in de loop van het voorjaar begonnen met
het bouwen en beleggen van darrenraat. Tegen de zwermtijd zijn de darren
dan geslachtsrijp. Het aanzetten van speeldopjes is een teken dat het
volk begint te denken aan zwermen. Het wordt pas serieus als er echte
koninginnecellen (moerdoppen) worden gebouwd. Deze worden onder aan de
raten, aan de zijkant of in toevallige openingen gemaakt. Zodra er een
klein dopje is kan die worden belegd. De hofstaat-bijen gaan dan de
koningin spaarzamer voeden. Zij moet afslanken om weer te kunnen
vliegen. Bij een zwerm gaat de oude koningin mee naar het nieuwe nest.
De eierproductie van rond 2.000 stuks per etmaal neemt fors af De
behoefte om raten te bouwen neemt ook af, de raten staan niet meer
scherp, maar worden stomp. Zodra uit het eerste koninginnenei een larve
komt, verandert er iets in het volk. Alle activiteiten nemen af, veel
bijen op de vliegplank die ogenschijnlijk niks doen. Ze klitten op de
vliegplank, trekken een baard tegen de voorkant of gaan in een trosje
aan de plank hangen. De werksters worden onvriendelijker tegenover de
koningin, de normale harmonie is verstoord.
4.4 De voorzwerm Al dagen voor het zwermen gaan de bijen die weg
zullen vliegen hun maag vullen met honing, als proviand voor de reis.
Blijkbaar is reeds vroegtijdig uitgemaakt wie weg gaat en wie blijft. De
blijvers proberen door te werken, zelfs tijdens het afkomen van een
zwerm. Het startsein voor de zwerm, voorzwerm of bromzwerm, is het
verzegelen van de eerste koninginnendop. Als
het weer goed is komt de zwerm af tussen tien en twee uur. Bij slecht
weer kan het worden uitgesteld, de nieuwe koningin komt immers toch pas
over een week uit haar dop. Is alles o.k. dan komt er een grote onrust
over het volk en er volgt een ware exodus. De lucht vult zich met
tienduizenden bijen, die in grote kringen door elkaar vliegen. Ze maken
daarbij een brommend-zoemend geluid, vandaar bromzwerm. Vaak zet de
zwerm zich vlakbij de stal aan een tak. Die plaats wordt soms jaren door
vele zwermen gebruikt. Als de speurbijen een goede nestgelegenheid
hebben gevonden dan dirigeren zij de zwerm daarheen, op tijd scheppen
dus. De speurbijen gaan al dagen voor de zwerm afkomt op zoek naar een
nieuw onderkomen. Oude kasten of korven zijn in trek, waarschijnlijk
door de geur. Ze vormen op zich natuurlijk ook goede woonruimte. Het
komt vaak voor dat een zwerm in een openstaande kast trekt. Het bewust
open laten staan van een kast of korf bij andermans bijen is strafbaar
(lokken van zwermen). Een normale voorzwerm omvat ongeveer de helft van
het oude volk. Intussen gaat in het oude volk het leven door, zij het
met veel minder bijen en zonder ei-leggende koningin. De nieuwe
koninginnen verpoppen in de gesloten cel. Als ze verpopt zijn moeten ze
een paar dagen rijpen voor ze het deksel van de cel doorknagen en
uitlopen. De werksters weten dat een koningin rijpt, ze knagen
overtollige was weg van de moerdop, ze komen echter niet aan het spinsel
van de pop. De moerdop krijgt daardoor een donkere kleur. De imker kan
zo rijpere en jongere doppen van elkaar onderscheiden.
4.5
Tuten en kwaken De jonge moer die uit haar
cel is gekomen gaat eerst iets eten, honing, om zich dan in het volk te
begeven. Zij maakt daarbij een tutend geluid, als van de bezettoon van
de telefoon. Zij wil weten of er concurrenten zijn. Die verraden zich
door te antwoorden. Maar omdat zij nog in hun wascel zitten wordt dat
geluid gedempt, het kwaken. Het tuten en kwaken is buiten de kast te
horen. De volgende koninginnen die rijp zijn verlaten hun cellen niet,
het zou een gevecht op leven en dood worden met de eerste koningin, ze
blijven wachten tot de eerste koningin gaat zwermen
4.6
Nazwermen Een nazwerm stelt minder eisen aan
het weer dan een voorzwerm, ze kan vroeger en later afkomen. Ze vliegt
meestal direct verder en hoger weg, misschien door de maagdelijke
koningin, die goed kan vliegen en weg wil uit de buurt van andere
koninginnen. Deze zwerm bestaat in hoofdzaak uit vliegbijen en een
jonge, onbevruchte, koningin. Met deze zwerm gaat vaak niet alleen de
tutende moer mee, maar in het gedrang lopen nog een paar kwakers uit die
meevliegen. Komt er daarna nog een nieuwe moer uit dan kan die ook gaan
zwermen. Soms komen er zoveel zwermen af, dat het oorspronkelijke volk
zich kapot zwermt, het is helemaal afgezwermd en te klein om zelfstandig
te overleven als volk. Is het weer te ongunstig of zijn de werksters het
zwermen beu dan knagen ze de overgebleven moerdoppen aan de zijkant open
en trekken de poppen eruit. Binnen een paar dagen zijn de doppen
helemaal weg geknaagd.
4.7 De kunstzwerm Als de
imker zelf de regie wil voeren kan hij een kunstzwerm maken. Als er
zwermtekenen zijn, bijvoorbeeld de eerste belegde dop, dan zoekt hij de
oude koningin. Zij wordt met het raam waarop zij zit in een apart kastje
gedaan, vaak een zesramer. Daar worden extra bijen bij gedaan door een
paar ramen met bijen af te kloppen. Een raam met voer en een met
stuifmeel horen er ook bij, verder kunstraat. Dit kastje wordt ergens
anders gezet om te voorkomen dat alle vliegbijen weer terug vliegen naar
de oude kast. Er zijn ook imkers die de kunstzwerm naast of boven de
oude kast zetten, als reserve volk voor het geval de nieuwe koningin in
het oude volk niet aan de leg komt. Als de koningin uit de kast is
gehaald dan moeten alle moerdoppen worden weggehaald. Gebeurt dat niet
dan is onbekend wanneer er een nieuwe koningin komt en eventueel zwermt.
Worden de doppen gesneden dan zet het volk direct nieuwe doppen aan,
meestal op een ééndaags larve of op een twee dagen oude larve. De imker
weet dan dat op de dertiende dag na het doppen breken er een nieuwe
koningin zal uitkomen. Door dan 's avonds te controleren kan hij indien
gewenst nog een paar moeren laten lopen en de rest verwijderen. Na een
uur of vier 's middags wordt er niet meer gezwermd en de nieuwe moeren
zoeken elkaar op en proberen elkaar dood te steken. Er blijft er
uiteindelijk maar één over en de volgende dag heeft het volk een nieuwe
koningin. Hier is een voorbeeld gegeven van hoe
een kunstzwerm kan worden gemaakt. In de praktijk zijn er vele
varianten. Imkers die de koningin niet kunnen vinden of dat te veel werk
vinden, hebben zo hun manier om dat probleem te omzeilen, maar dat voert
hier te ver om uit te leggen.
4.8 Bruidsvlucht Nadat een jonge koningin is geaccepteerd door een
zwerm of een afgezwermd volk, moet ze een bruidsvlucht maken om te
paren. Een koningin is geslachtsrijp vanaf ongeveer 8 dagen. Enkele dagen voor de bruidsvlucht maakt ze
oriëntatievluchten. Zij verkent dan de plaats van haar kast (dus in die
periode niet verplaatsen) en verkent de omgeving. Zij vliegt alleen uit
als het mooi weer is. Is het te lang slecht weer dan begint ze
onbevruchte eieren te leggen, ze is dan darrenbroedig. Tot de 21ste dag
kan ze op bruidsvlucht. Als alles goed gaat, gaat ze op bruidsvlucht.
Door de geur die zij dan verspreidt (sexferomoon) trekt zij honderden
darren aan, het lijkt soms net een zwerm. De koningin trekt naar een
darrenverzamelplaats om te paren. De paring vindt hoog in de lucht
plaats. In totaal kunnen er wel 25 - 30 darren met de koningin paren,
dat kan gebeuren in een paar bruidsvluchten. Na de paring breekt het
geslachtsapparaat van de dar af en hij gaat dood. Na de laatste paring
vliegt de koningin terug naar de kast, met het geslachtsapparaat van de
laatste dar nog in haar, het zogenaamde bevruchtingsteken. In feite is
de koningin niet bevrucht, zij heeft sperma ontvangen van de darren, wat
zij opslaat in haar zaadblaas (spermatheca). Als de bruidsvluchten goed
zijn verlopen heeft zij genoeg sperma voor 4 - 5 jaar eieren leggen. Is
de voorraad eerder op dan legt ze alleen onbevruchte eieren en daar
komen alleen darren uit.
4.9 Aan de leg Na de bruidsvlucht zou de koningin aan de leg kunnen
gaan. Zij legt echter niet in een vuil nest: zij wacht tot alle broed
van haar voorgangster is uitgelopen voor zij zelf eieren gaat leggen. De
imker wil graag snel weten of zijn nieuwe moer goed is, maar hij moet
geduld hebben. Het duurt ongeveer 24 dagen voor het oude broed is
uitgelopen, geef de nieuwe moer even de tijd om te leggen voor je
stoort, en er moet al gauw een maand worden gewacht na het maken van een
kunstzwerm. En volk met een nieuwe moer storen kan problemen geven. De
werksters kunnen denken dat die niet leggende koningin niet goed is en
haar opruimen. Jammer dan, want er is geen open broed meer om nieuwe
koninginnen te krijgen. De imker moet dan ingrijpen door een andere
koningin in te voeren, een raam met eitjes in hangen of de kunstzwerm
met de oude koningin terug verenigen. Gaat de
koningin leggen dan inspecteert zij iedere cel voor zij een ei legt. Is
de cel goed en is het een werkstercel dan laat zij een tiental
spermacellen toe voor de bevruchting van dat ene ei. Belegt zij een
darrencel dan vindt er geen bevruchting plaats en wordt er dus een
onbevrucht ei gelegd. Darren zijn dus exacte kopieën van hun moeder.
4.10
Van ei tot bij Uit een bevrucht ei kan zowel
een werkbij als een koningin ontstaan. Het eistadium duurt 3 dagen. Dan
gaat het eitje over in een larve. Eigenlijk is het een made, een
pootloze larve die in haar voer zwemt. Het larven-stadium duurt 6 dagen.
Tijdens dit stadium wordt de larve gevoerd. Een larve bedoelt voor
koningin, krijgt veel vaker en veel geconcentreerder voer dan een larve
die werkster wordt. Gedurende de 6 dagen van het larven-stadium wordt
een koninginnelarve ongeveer 1600x gevoed, een werksterlarve daarentegen
maar 140x. Het eerste voer van de larve bestaat uit koninginnegelei, dat
geproduceerd wordt in de voedersapklieren van jonge werksters. De
koninginnelarve krijgt vrijwel uitsluitend dit speciale voer.
Werksterlarven krijgen er al gauw ook stuifmeel bij. Een koninginnelarve
eet zich overvol, de slokdarm rekt dan op en prikkelt een hormoonklier
(de corpora-allata). Deze hormonen zorgen er voor dat de larve uitgroeit
tot koningin. De werksterlarven die het met heel wat minder moeten doen
groeien niet uit tot koningin, hun geslachtsklieren zijn niet volgroeid
en het lichaam is ook veel kleiner. In aanleg zijn deze twee types
larven echter volkomen identiek. In bijzondere gevallen kan een larve
die volgens larven-menu is gevoed tot ze 1,5 dag oud is nog wisselen van
menu en uitgroeien tot koningin. Vindt de overschakeling later plaats
dan lukt het niet meer en komt er toch een werkster. In beide gevallen gaat na 6 dagen de larve over in
pop. De cel wordt dan gesloten met een luchtdoorlatend wasdeksel. De
duur van het popstadium van de koningin is 7 dagen, van een werkster 12
en van een dar 15 dagen. Een werkbij gaat direct na de geboorte aan het
werk, een dar is na 12 dagen geslachtsrijp.
Ontwikkelingsschema van ei tot bij:
|
ei |
larve |
pop |
totaal |
| Koningin |
3 |
6 |
7 |
16 |
| Werkbij |
3 |
6 |
12 |
21 |
| Dar |
3 |
6 |
15 |
24 |
5.
HUISVESTING
Bijenwoning, stand, verplaatsen, oriëntatie
5.1
Algemeen In de vrije natuur leven bijenvolken
in holle bomen of dergelijke ruimtes. Ze beschermen zich daarmee tegen
regen en kou, maar ook tegen indringers als wespen en vogels. In ons
klimaat kunnen bijenvolken niet overleven zonder door de mens te worden
geholpen. Onder gunstige omstandigheden kan een volkje wel eens een paar
jaren overleven, zonder hulp. De mens heeft de bijenwoning aangepast,
van "holle boom" tot een kast met losse raampjes. Dit niet zozeer om de
bijen te helpen, dan wel om honing te oogsten. De
holle boom als bijenwoning was groot en zwaar. Al vroeg werden er
strokorven gevlochten om bijen in te huisvesten. Het bezwaar van deze
bijenwoningen was echter de vaste bouw. De bijen bouwden hun raten vast
aan de wanden van de woning. De imker kon op die manier weinig invloed
uitoefenen op het volk. Honingoogsten ging alleen maar door de raten
stuk te maken. Vaak werden de volken dan eerst afgezwaveld. Rond 1850
werd de bijenafstand ontdekt: 6,3 - 9,5 mm Is de afstand kleiner dan 6,3
mm dan kitten de bijen alles dicht, is de afstand groter dan 9,5 mm dan
wordt er raat in gebouwd. De Amerikaan Langstroth ontwikkelde op basis
van die kennis de eerste kast met losse bouw. De imker kon de ramen met
raat uitnemen of kunstraat geven zonder iets te beschadigen. Bij de bouw
van kasten wordt de bijenafstand normaliter gesteld op 8 mm.
5.2
Bijenkasten
5.2.1 De Simplexkast Dit is het oudste kasttype in ons land. De kast is
dubbelwandig, hij is opgebouwd uit losse binnen- en buitenranden. De
binnenranden staan koud op elkaar, de buitenranden hebben sponningen,
waardoor ze niet ten opzichte van elkaar verschuiven. Bodem en deksel
zijn los.
5.2.2 De Spaarkast De
Simplex heeft veel onderdelen, om dat aantal te verminderen is de
Spaarkast ontwikkeld. De
kast is enkelwandig, de randen staan koud op elkaar. Bodem en deksel
zijn los.
5.2.3 De Segeberger kunststofkast Deze uit Duitsland afkomstige kast is vrij recent
verkrijgbaar. Het principe is als dat van de Spaarkast. De grote
voordelen zijn het geringe gewicht en de goede warmte isolatie.
5.3
Het bijenraampje Ons land verkeert in
tegenstelling tot vele andere landen in Europa in de gelukkige situatie
dat het slechts één genormaliseerd type bijenraampje bezit (klopt niet
meer helemaal). In de praktijk zijn er broed- en honingkamerramen, ieder
dus met een vaste maat. De raampjes passen in alle typen kasten. Normaal
gaan er 10 ramen in een honing- of broedbak. In de bak rusten de
raampjes op afstandsrepen of zijn voorzien van afstandsblikjes. De
houten raampjes worden voorzien van draden waar een vel kunstraat in kan
worden gesmolten. De bijen bouwen dan aan beide zijden cellen van was
uit. We onderscheiden:
- werkstercellen, doorsnede 5,4 mm
- darrencellen, doorsnede 7 mm
- koninginnencellen, ter grootte van een kleine
vingerhoed, verticaal
De bijen delen de kast in
volgens een vast patroon, onafhankelijk van de plaats waar de imker de
honing- of broedkamers plaatst. Centraal in de kast zit het broednest.
Daaromheen komt stuifmeel en daarboven de honing. Komt er veel honing
binnen dan zakt het broednest naar beneden. In het vroege voorjaar als
er weinig stuifmeel en voer zijn, dan zit het broed midden bovenin.
Lekker warm dus.
5.4 De kastkleur Bijen
zien kleuren anders dan wij. Zij kunnen de kleuren blauw, geel, wit
(geen loodwit) en zwart goed van elkaar onderscheiden. Rood wordt door
bijen niet als een kleur waargenomen. Donkere kasten warmen snel op, een
donker deksel kan erg warm worden in de volle zon.
5.5
De bijenstand De imker heeft natuurlijk zijn
bijen het liefst in de eigen tuin staan. Er moet goed worden nagegaan of
dat kan zonder overlast te veroorzaken voor huisgenoten of buren. De
plaats van de stand moet, indien mogelijk, zo worden gekozen dat er rust
heerst voor de bijen en met de vliegopening naar het zuidoosten, op
voldoende afstand van huis en buren. De stand zelf kan heel eenvoudig
worden uitgevoerd, net als in het veld op en paar pallets. 's Winters
hebben de kasten echter meer te lijden van het weer, enige bescherming
kan geen kwaad. Die bescherming loopt in de praktijk van een eenvoudige
overkapping tot fraaie bijenstallen, al naar de mogelijkheden en
behoefte van de imker. Een stal is gemakkelijk voor het opbergen van
extra materiaal.
5.6 Het verplaatsen van een volk Zoals bekend zijn bijen zeer nauwkeurig georiënteerd
op hun eigen kastplaats. Als een kast elders in de tuin wordt neergezet
dan vliegen de vliegbijen terug naar de oorspronkelijke plaats. Bij het
maken van een zwerm kan de imker op die manier een volk laten afvliegen.
Op de plaats van de kast moet dan wel een andere kast worden gezet,
anders gaat het fout. De actieradius van bijen is ongeveer 3 km. Als een
volk meer dan 6 km wordt verplaatst dan herkennen de vliegbijen niets
meer en gaan zich opnieuw oriënteren op de plaats van hun kast. Na 14
dagen zijn ze vergeten waar ze daarvoor stonden. Verplaatsen van een
volk dient uiteraard te gebeuren als alle bijen in de kast zitten, dus
's avonds laat of 's morgens vroeg. Een kast met kleine beetjes per dag
verschuiven kan wel, maar niet meer dan een halve kastbreedte per keer,
ze vinden dan toch de ingang en wennen aan de verandering.
5.7
Oriëntatie Bijen worden geboren met het
vermogen de plaats van de zon waar te kunnen nemen, ook als de zon niet
schijnt. Het waarnemen van UV - licht speelt een hoofdrol, op de plaats
waar de zon staat is de hoeveelheid UV-licht aanzienlijk lager dan bij
de rest van de lucht. Bijen kunnen met hun facetogen de zon overigens
niet direct zien, zoals mensen. Het draaien van de zon in de loop van de
dag wordt automatisch verwerkt in de bijenhersenen. Door het lage
oplossend vermogen van de facetogen nemen bijen alleen iets scherp waar
op korte afstand. Op grotere afstand wordt alles wazig, en alleen grote
objecten geven nog enig contour. De bijen zijn dus tijdens een vlucht
volledig aangewezen op hun navigatiesysteem. Pas een paar meter voor de
kast wordt er echt iets gezien. Oriëntatie op de bijenkast vindt voor
een deel ook plaats onder invloed van geurverspreiding. Wanneer jonge
bijen zich gezamenlijk gaan oriënteren op de kast, de eerste vliegles,
worden ze herinnerd aan hun eigen woning middels het verspreiden van
nestgeur door op de kastwand aanwezige stertselende bijen. Deze bijen
hebben hun achterlijf met de daarin aanwezige geurklier omhoog gericht
en waaieren de nestgeur uit met een stilstaande vleugelslag.
5.8 Bijendans Hoe vinden
bijen massaal hun weg naar dezelfde dracht? Als een speurbij een goede
dracht heeft gevonden dan keert ze terug naar de kast en "vertelt" de
anderen waar die dracht zich bevindt. Ze geven door middel van de
bijendans informatie over de richting die moet worden gevlogen, t.o.v.
de zon en ook hoever het vliegen is (hoeveel energie het kost). Door
uitwisseling van voedsel kunnen de bijen tevens geur en smaak doorgeven.
Het aantal malen dat wordt gedanst, meestal op verschillende delen van
de raat, hangt samen met de kwaliteit van de drachtbron. Is er een goede
drachtbron gevonden dan worden zo meer bijen opgewekt om daar naar toe
te gaan. Afhankelijk van de afstand van de voedselbron tot de kast
kunnen 3 typen dansen worden onderscheiden.
5.9 Bloemvastheid Als de bijen van een volk massaal op bijvoorbeeld de
paardebloem vliegen, dan blijven ze daarop vliegen, ook als de
fruitbomen boven hun hoofd in bloei komen. Als de speurbijen een betere
drachtbron vinden dan zal er wel geleidelijk worden overgestapt. Zo
wordt het voedselaanbod dus optimaal benut. Dit in tegenstelling tot
b.v. hommels, die vliegen ieder voor zich rond om wat bij elkaar te
sprokkelen, maar die leggen ook geen wintervoorraad aan.
6. BIJENSTEKEN
6.1 Algemeen Bijen verdedigen zich als volk tegen belagers met
behulp van een angelapparaat. Het
angelapparaat is voorzien van weerhaakjes en niet bij darren ontwikkeld
aangezien het van oorsprong een legbuis was. Voor belagers met een lederhuid (zoogdieren) betekent het dat de angel
met gifblaas door de bij wordt verloren door de actie. Dit betekent de
dood voor de betreffende werksterbij. De
gifblaas met spier (gifpomp) blijft na de steek functioneren. Hierdoor
wordt de gifblaas in de aanvaller geledigd. Het is derhalve zaak de
angel met een nagel of mes zo snel mogelijk af te schrapen. Hierdoor
stopt de giflozing. Wanneer de angel tussen de vingers wordt aangepakt
wordt de gifblaas alsnog leeg gedrukt. Na
gestoken te zijn door bijen kunnen zich een drietal verschijnselen
voordoen.
6.2 Onschuldige zwelling De bijensteek kan een (meestal onschuldige) zwelling
veroorzaken, die gepaard gaat met roodheid en pijnlijkheid. Dit is een
teken van een goed functionerend afweersysteem. De zwelling gaat gepaard
met jeuk en verdwijnt na een paar dagen. Indien vaker steken worden
opgelopen verdwijnen de reacties goeddeels.
6.3 Allergische
reactie Ongeveer 0,02 % van de Nederlandse
bevolking vertoont ernstige allergische reacties. Deze reacties vertonen
zich niet op de plaats van de steek maar overal in het lichaam veelal
binnen of na circa 15 minuten en betreffen jeuk, roodheid en/of
galbulten over het hele lichaam, zweten, angst, ziektegevoel,
bloeddrukdaling, zwelling slijmvliezen, diarree. Deze reacties kunnen
levensbedreigend zijn. Er dient onmiddellijk een arts te worden
geconsulteerd, die een injectie zal toedienen met adrenaline. Een
allergie kan ook door het lichaam worden opgebouwd na herhaling van
bijensteken in de loop van de tijd. Elke volgende steek kan dan een
heftiger allergische reactie tot gevolg hebben. Allergie voor
bijensteken is van een andere aard dan die van wespen en hommels. Een
allergie voor wespensteken zegt dus niets over de gevoeligheid voor
bijensteken. Via een langdurige behandeling kan de allergische reactie
worden afgebouwd. Een dergelijke behandeling is noodzakelijk voor
levensbedreigende allergische reacties bij mensen.
6.4
Vergiftiging Indien een mens wordt gestoken
door 300 bijen of meer kan een vergiftigingsverschijnsel optreden, die
vergelijkbaar kan zijn aan een allergische reactie.
7. DRACHTPLANTEN
7.1 Bijenweide Honingbijen halen zelf hun voer en zorgen voor een
wintervoorraad voer. De imker oogst dat vervolgens als honing. De bijen
moeten wel in de gelegenheid zijn om voer te winnen en voor de winter
moet de imker de geoogste honing vervangen door een alternatieve
wintervoorraad. Bijen halen hun voer van planten: nectar en stuifmeel.
De planten die daarvoor door bijen worden bezocht noemen we bijenplanten
of drachtplanten. Staan er veel planten bij elkaar, zoals in een veld
koolzaad, dan wordt ook wel gesproken van een drachtgewas of kortweg
dracht. Het is dus zaak dat er het hele seizoen drachtplanten in de
buurt van de bijen staan. Of de imker moet de bijen bij drachtplanten
plaatsen (met de bijen reizen). Wordt hier niet aan voldaan, dan moet de
imker genoegen nemen met minder of geen honing. Misschien moet hij al na
de voorjaarsdracht beginnen met bijvoeren om te voorkomen dat de volken
te kort komen.
7.2 Voorjaar In het
voorjaar is het aantal drachtplanten groot. Het begint met de
voorjaarsbollen als sneeuwklokje, winteracconiet en krokus. Daarna komen
de verschillende wilgensoorten. Wilgen zijn tweehuizig, er zijn
vrouwelijke en mannelijke planten. De bomen met de bekende katjes
leveren geel stuifmeel, dat zijn dus mannelijke planten. Aan de
vrouwelijke planten komen geen katjes maar onopvallende bloempjes met
een soort vanginrichting voor het stuifmeel. Wel produceren zij nectar
om insecten te lokken. Vliegt een bij met stuifmeel aan zijn haren naar
een vrouwelijke bloem om nectar op te zuigen, dan zullen
stuifmeelkorrels in aanraking komen met de kleverige bloemdelen en zo
wordt de bloem bestoven. Na de wilg komt de paardebloem, die massaal kan
bloeien in wegbermen en in weilanden. Intussen vordert het voorjaar en
komen er bomen in bloei als sleedoorn, peer, kers en ander fruit. Ook in
de sierbloemen en struiken komen nogal wat drachtbronnen voor. Een nog
steeds te bereizen belangrijke dracht is het koolzaad (oost Groningen).
Dat bloeit in de maand mei.
7.3 Zomer Dan bloeit ook de acacia (Robinia pseudoacacia).
Daarna komt de linde, als het tenminste niet te droog is. De
voorjaarsdracht is dan voorbij. Wel komen dan braam en vuilboom in
bloei, evenals bijvoorbeeld sneeuwbes. Misschien genoeg voor onderhoud
van het volk, maar meestal geen echte dracht. Er kan worden gereisd naar
de phacelia, klaver en luzerne.
7.4 Nazomer In juli bloeit de dopheide en daarna in augustus de
struikheide, De opbrengst van de struikheide is nogal afhankelijk van
het weer voor en tijdens de bloei. Trekt er een onweersbui over de heide
dan kun je de kasten wel weghalen, zeiden de oude korfimkers. Een
enkeling gaat dan nog naar de zeeaster aan de waddenkust, eind augustus
tot half september.
7.5 Voeren Om de bijen de
winter goed door te laten komen hebben ze minimaal 10 kg suiker nodig
per volk. Veelal wordt 14 liter gefermenteerde suikeroplossing gegeven.
Biet- of rietsuiker kan de bij niet verteren, het wordt door een enzym
eerst gesplitst in brokstukken die wel zijn op te nemen. Door
voorgefermenteerde suiker te geven, zouden de winterbijen minder
slijten. Het is echter vooral het gemak. Gewone suiker moet worden
opgekookt en afgekoeld voer het kan worden gevoerd.
7.6
Verbetering bijenweide Iedere imker moet
kijken of er in de omgeving van de bijenstal voldoende drachtplanten
voorkomen, gedurende het hele bijenseizoen. In een woonwijk met veel
tuinen kan dat heel goed zijn, staan er kastanjes en linden dan kan er
vanuit de stal worden geïmkerd, zonder te reizen. In een puur
weidegebied kan de voorjaarsdracht goed zijn met wilg en paardebloem.
Maar daarna is er niet veel meer te halen voor de bijen. De imker met
een tuin kan veel voorjaarsbollen planten, misschien is een kastanje of
linde ook mogelijk. Struiken als berberis en sneeuwbes zijn ook goed.
Soms is de gemeente bereid om drachtplanten te zetten in het openbaar
groen. De imker heeft de zorg op zich genomen voor de bijen, hij moet
dus zorgen voor goede drachtomstandigheden voor zijn volken. Lukt dat
niet bij de standplaats, dan zal er moeten worden gereisd. Misschien kan
een zomerstand worden gevonden in een nabijgelegen natuurterrein. Een dracht waar geen bloemen aan te pas komen wordt
gevormd door honingdauw, een luizenafscheiding. Het kleverige sap dat
door luizen wordt afgescheiden wordt door o.a. mieren en bijen opgelikt.
Deze blad- of bos- (Wald) honing wordt dan ook wel luizenhoning genoemd.
De honing is donker van kleur en sterk van smaak. In Nederland eigenlijk
niet apart gewonnen, in het buitenland soms wel. Of er voor de bijen
iets valt te halen hangt van veel factoren af. Het tijdstip van de dag,
is het droog of nat, staan er voldoende planten om op te vliegen. In het
vroege voorjaar en de late herfst vliegen ze eigenlijk op alles wat er
is. Als het weer beter is willen ze als het kan een echte dracht. Bijen
vertellen elkaar waar een goede drachtbron is, steeds meer bijen uit die
kast gaan daar dan op vliegen. Ze scharrelen dus niet van bloem tot
bloem zoals hommels. Een imker die van vele plantensoorten en paar
planten in de tuin heeft zal in de zomer geen bij tegenkomen. Staan er
meerdere planten bij elkaar dan komen er meer bijen. Dit hangt ook weer
af van wat de planten de bijen te bieden hebben. Zelf waarnemen is het
beste, wat bloeit er, waar vliegen de bijen op, met wat voor soort
stuifmeel komen ze thuis, als ze de tuin uitvliegen, waar gaan ze
heen.
7.7 Drachtplantenlijst Nu
volgt een lijst met veel bevlogen drachtplanten (is bij lange na niet
volledig):
- Aardbei
- Acacia
- Appel
- Aster
- Berberis
- Berenklauw
- Bessen
- Bernagie of
komkommerkruid
- Blauw
druifje
- Boekweit
- Braam
- Brem
- Bruidssluier
- Campanula
- Cotoneaster
- Krokus
- Cotoneaster
- Dahlia
- Distelsoorten
- Dwergkwee
- Esdoorn
- Fluweelboom
- Guldenroede
- Heide
- Helleboris
- Honingboom
- Hulst
- Kaasjeskruid of malva
- Kastanje
- Kattestaart
- Kers
- Klaproos
- Klaver
- Klimop
- Koolsoorten
- Korenbloem
- Kwee
- Lamsoor
- Liguster
- Linde
- Mahonia
- Marjolein
- Mosterd
- Ossetong
- Paardebloem
- Papaver
- Peer
- Phacelia
- Pruim
- Prunus
- Reseda of
wouw
- Roos
- Sedum of
vetkruid
- Skimmia
- Sleedoorn
- Sneeuwbes
- Sneeuwklokje
- Springbalsemien
- Sterhyacint
of Scilla
- Tamme
Kastanje
- Teunisbloem
- Tijm
- Toorts
- Vuilboom of
sporkehout
- Wilg
- Wilgenroosje
- Winteracconiet
- Zeeaster
- Zenegroen
- Zonnebloem
8. BIJENPRODUCTEN
8.1 Algemeen Het nut van bijen is, naast de bestuivingstaak in de
natuur en de land- en tuinbouw, de productie van:
- Honing
- Was
- Propolis
- Koninginnengelei
- Bijengif
- Stuifmeel
8.2
Honing Honing wordt door de werksterbijen
bereidt uit nectar verzameld in de bloemen of soms als honingdauw op
bladeren van planten of bomen. Honingdauw is een afscheiding van
bladluizen. De nectar wordt opgenomen uit de bloemen met een percentage
suikers van 15 à 50 %. De nectar wordt in de honingmaag verzameld en
gefilterd. De nectar wordt in de bijenkast afgegeven aan werksters en
voorlopig opgeslagen in cellen. De nectar wordt door de bijen ingedikt
in de kast door het te bewerken, onder meer door het weer opnemen van de
nectar. Door te ventileren wordt overtollig vocht de kast uitgewerkt.
Deze werkzaamheden vinden vooral ´s nachts plaats. Nectar kan als honing
worden gekwalificeerd indien het suikergehalte is opgelopen tot ongeveer
80%. Ook voegen de bijen tijdens de
bewerking extra stoffen toe om de honing te conditioneren tegen bederf
en enzymen worden toegevoegd om de honing licht verteerbaar te maken. In
honing komt ook stuifmeel voor. Hieraan is de
honingsoort af te leiden. Honing is gezond omdat de enkelvoudige suikers
direct opneembaar zijn in het menselijk bloed en derhalve direct energie
kunnen leveren. Voorts komen in honing nog belangrijke mineralen en
vitaminen voor. Om de kwaliteit van honing te waarborgen is in Nederland
de Warenwet, en daaruit het Honingbesluit van toepassing op in de handel
gebrachte honing. Er zijn eisen voor de etikettering en voor de
samenstelling. Honing mag niet verhit zijn, mag niet gisten (te laag
suikergehalte) en moet door bijen zijn verzameld. Het gehalte aan
invertsuikers (enkelvoudige suikers, glucose, fructose) moet minimaal
65% zijn. Schadelijke stoffen (bestrijdingsmiddelen) moeten afwezig
zijn.
8.3 Was Was wordt door de
jonge werksterbijen geproduceerd uit de wasklieren in de vorm van
schilfertjes. Deze worden door de bijen gebruikt om de raten te bouwen.
De was komt vrij nadat de imker oude veel bebroede raten vervangt door
nieuwe (kunst)raten. De oude raten worden gesmolten door koken of
stomen. De vrijkomende was wordt ontdaan van vuil door het filteren over
een doek. Na het gieten van de ruwe was in een vorm ontstaat er een
wasbrood. Van het wasbrood kan de imker kaarsen maken. De meeste imkers
leveren de was in bij de imkervakhandel. Hier wordt de was weer verwerkt
tot kunstraat of bijvoorbeeld bijenmeubelwas.
8.4 Propolis Propolis wordt door de bijen vooral verzameld op
knoppen van bloemen. Het is een kleverige harsachtige stof, denk maar
eens aan de knop van een kastanje in het voorjaar. Bijen gebruiken deze
stof voor velerlei doeleinden. De kleverige kithars levert de knop van
de plant bescherming op tegen weer en wind en heeft een bacterie- en
schimmel werende werking. Het is in de bijenwoning in gebruik als een
soort cement. Kieren worden dichtgemaakt met propolis of de vliegopening
wordt verkleind, ruimten kleiner dan 5 mm, bijvoorbeeld tussen de raten
worden dichtgezet en de raten worden er mee vastgezet. Maar propolis
heeft meer goede eigenschappen. Het bezit antiseptische eigenschappen,
waardoor de cellen in de raat na het uitlopen van de bijen met een dun
laagje propolis worden ontsmet. Ook ongewenste voorwerpen in de
bijenkast, die door de bijen niet kunnen worden verwijderd, worden
geheel in de propolis gezet, bijvoorbeeld een dode muis. Een dergelijk
beest wordt op die wijze ontsmet en gemummificeerd. Ook zal propolis in
beperkte mate worden toegevoegd aan honing, waardoor de honing beter
houdbaar blijft. Propolis kan door de imker worden verzameld uit een
bijenkast, bijvoorbeeld vanaf de koninginneroosters. Het afzetten van
propolis door de bijen kan ook worden bevorderd door de dekplank van de
kast te vervangen door een fijn gaas. De bijen kitten dit gaas geheel
dicht. Deze kit is dan door de imker gemakkelijk te verwijderen, indien
dit gaas in de diepvries wordt gelegd, waarna de propolis er gemakkelijk
is af te breken. Propolis heeft ook voor de mens een krachtige genezende
werking voor allerlei kwalen. Een imker heeft het altijd in pure
toestand in huis en neemt een kluitje in de mond (als kauwgum) indien
een keelontsteking de kop op steekt. De genezende werking komt voort uit
de bacteriedodende werking van in propolis voorkomende stoffen. Propolis
kan zowel inwendig als uitwendig tegen ontstekingen worden toegepast ,
verwerkt in zalf, tinctuur of drank.
8.5 Koninginnengelei
De larven die door het bijenvolk zijn uitgekozen om
tot koningin te worden opgekweekt, worden gevoed met gelé royale,
koninginnegelei. Deze extra voeding zorgt ervoor dat uit het bevruchte
eitje een koningin tevoorschijn komt in plaats van een werksterbij. Het
voedsel is aanwezig in de voedersap-klieren van werksterbijen tussen hun
zesde en tiende levensdag. De koninginnengelei kan door imkers worden
gewonnen door het verwijderen van de koninginnelarf en het opzuigen van
de gelei met een plastic injectienaald. Eén cel levert ongeveer 30 mg
gelé royale. Koninginnegelei is eiwit- en vitaminerijk. Voor de mens
heeft de koninginnegelei een heilzame werking bij gebrek aan eetlust ,
bij vermagering en depressies.
8.6 Bijengif Bijengif wordt door enkele bedrijven gewonnen voor
farmaceutische doeleinden. Het bijengif bevat ontstekingsremmende
stoffen en kan een gunstig effect hebben bij reumapatiënten. Een deel
van de werking kan ook worden verklaard door de aanwezigheid van stoffen
die een pijnverzachtende werking veroorzaken . Het gif wordt gewonnen
door bijen in een soort ballon te laten steken, waarin de vloeistof
wordt opgevangen.
8.7 Stuifmeel
Stuifmeel is de eiwitbron voor
de voedering van de larven, de koningin en de jonge werksters met de
taak de larven met voedersap te voeren. Ook bestaat stuifmeel uit vetten
en bevat het mineralen. Stuifmeel wordt verzameld in bloeiende bloemen,
waarbij tevens het stuifmeel van bloem tot bloem en van plant tot plant
wordt verspreid om hiermede de bevruchting van de planten te
bewerkstelligen. Het stuifmeel wordt in de raten opgeslagen en afgedekt
met een laagje honing. De stuifmeel moet eerst in de cellen fermenteren
om voor de bijen goed verteerbaar te zijn. Het
stuifmeel heeft vele verschillende kleuren. Facelia/blauw,
paardebloem/oranje, klaver/bruinwit, paardekastanje/steenrood enz. Het
is voor de imker in die zin interessant omdat hij op de vliegplank kan
waarnemen waar de bijen op vliegen. Bijen zijn in redelijke mate
bloemvast, dat wil zeggen dat indien er een bepaald gewas massaal bloeit
dat alle bijen zich daarop oriënteren. Dit komt voor bij koolzaad,
paardebloem, linde, heide e.d. Stuifmeel wordt door imkers in
bijvoorbeeld Frankrijk gewonnen door een stuifmeelval voor de
vliegopening te monteren. Bij binnenkomst in de kast worden de klompjes
stuifmeel van de korfjes afgestreken door de bijen door een (te kleine)
opening te laten lopen. Het stuifmeel wordt als een soort
voedingssupplement gebruikt voor zwakke patiënten. Ook wordt stuifmeel
geconsumeerd door allergie patiënten. Hiermede kan hooikoorts worden
tegengegaan. In Nederlandse omstandigheden is de winning van stuifmeel
niet wenselijk omdat de omstandigheden voor de bijen hier niet optimaal
zijn en ze de stuifmeel niet kunnen missen. Bij afname zou spoedig een
sterke verzwakking van de volken kunnen optreden. Herkomst van honing
kan worden bepaald met stuifmeelanalyse.
9. ZIEKTEN EN
PLAGEN
9.1
Algemeen Een bijenvolk kent diverse belagers
in de vorm van andere dieren als luizen, mijten (tracheemijt, varroa),
wespen, hoornaar en andere bijenvolken maar ook vogels (mezen, zwaluwen)
en kleine zoogdieren als muizen. In het algemeen is de schade
toegebracht door luizen, wespen, de hoornaar en vogels van incidentele
aard en niet bedreigend voor volken in goede conditie. Dit kan anders
zijn indien een muis tijdens de winterrust de kast binnendringt. De
bijen verdedigen zich dan niet of niet goed genoeg en de muis kan een
ware ravage aanrichten in de raten. Het bijenvolk kan hierdoor, ook mede
door de onrust in de winter het loodje leggen.
9.2 Varroamijt Aantasting
door de varroamijt kan wel fataal aflopen voor een bijenvolk.. De
varroamijt is vanaf ongeveer 1985 in Nederland aanwezig, komend vanaf
India. In India leeft deze mijt op de Indische bij (Apis cerana), en is
daar niet fataal aangezien deze bijen een afweermiddel hebben
ontwikkeld. De Apis cerana is in staat om de mijt van zijn lichaam te
verwijderen en de mijten dood te bijten. Onze bijen zijn daar voorlopig
niet toe in staat, alhoewel hier op den duur door selectie, natuurlijk
of kunstmatig, ook wel een zekere weerstand zal worden ontwikkeld. Een
met varroa besmet bijenvolk gaat na ongeveer drie jaar dood is de
ervaring indien geen maatregelen worden genomen om de mijten te
bestrijden. De mijtenbestrijding kan op biologische wijze
(darrenraatmethode, mierenzuur) of met behulp van chemische
bestrijdingsmiddelen (Apistan, Apitol) worden uitgevoerd. De schade door
de varroamijten ontstaat doordat mijten bloed zuigen van de bijen door
gaatjes te prikken in de bijen. De mijten vermeerderen zich in het
gesloten broed, waarin de mijt eitjes afzet. De jonge mijten parasiteren
op de poppen. De aangetaste bijen, die uit de poppen voortkomen, hebben
onder meer beschadigde vleugels, waardoor vliegen uitgesloten is. Ook
zijn aangetaste bijen zeer kwetsbaar voor andere ziekten aangezien ze
gaatjes in hun pantser hebben door de varroabeten. Het aantal
varroamijten kan oplopen tot duizenden exemplaren per kast Door
effectief te bestrijden kan dit aantal tot enkele tientallen worden
teruggebracht en de plaag onder controle worden gehouden.
9.3
Microbiologische aantasting Microbiologische
aantasting kan plaatsvinden door bacteriën en virussen. Bekende ziekten
zijn onder meer de ziekten die het broed aantasten zoals kalkbroed,
Europees vuilbroed en Amerikaans vuilbroed. Daarnaast is een belangrijke
ziekte de Nosema, een ingewandsstoornis. We behandelen de belangrijkste
ziekten en dat zijn Amerikaans vuilbroed en Nosema.
9.4 Amerikaans vuilbroed (AVB) Amerikaans vuilbroed is een bacterieziekte in het
broed. De ziekte is vermoedelijk met het Amerikaanse leger na de oorlog
meegekomen naar Europa. De Amerikanen importeerden hun eigen honing met
daarin sporen van de Bacillus Larvae, de veroorzaker van Amerikaans
vuilbroed. De broedziekte gaat zeer snel, waardoor de bijen niet in
staat zijn om door hygiënische maatregelen in de kast de ziekte de baas
te blijven. De ziekte kan door sporenvorming van de bacterie latent
aanwezig blijven in een bijenvolk. Vooral in volken waar het even niet
zo goed mee gaat en met een aanwezige latente besmetting kan de ziekte
toeslaan. Nabuurvolken worden dan ook de dupe, door vervliegende bijen
en ook doordat zieke, verzwakte volken worden beroofd door de in de
buurt staande bijenvolken. De enige goede methode ter bestrijding van de
ziekte is om de volken van een bijenstand en de in de omgeving staande
bijenvolken te ruimen. Dit gebeurde tot voor kort. In verband met de
kosten heeft de overheid besloten alleen de volken te ruimen waarvan
klinisch is vastgesteld dat ze de ziekte hebben. Hiermede kan niet
worden volstaan, de imker dient zelf de andere volken te ruimen en al
zijn materialen te ontsmetten of te verbranden. Een preventieve methode
is om de volken jaarlijks te laten onderzoeken op het voorkomen van de
sporen van de bacterie. Dit kan door enige honing uit de voederkrans van
de raten van bijenvolken te testen in een laboratorium. De ziekte uit
zich door inzakkende broedcellen en een rottende geur. Indien met een
lucifer de inhoud van een broedcel wordt aangeraakt, dan kan men van de
inhoud een draad trekken, de luciferproef.
9.5 Nosema Nosema wordt veroorzaakt door de Nosema apis Zander,
een eencellige darmparasiet. De parasiet is sporenvormend. De sporen
zijn in elk volk aanwezig. Indien een volk is verzwakt door bijvoorbeeld
stuifmeelgebrek of door andere ziekteverwekkers of aantastingen is de
kans groot dat de Nosema uitbreekt. Dit treedt vaak op in een erg koud
voorjaar, waardoor in het bijenvolk stuifmeelgebrek kan ontstaan. De
darmen van een met Nosema besmette bij worden aangetast en daardoor gaat
de bij zich in de kast ontlasten en zorgt zo voor een sterke
verspreiding van de aantasting. Een volk kan hieraan bezwijken. De
Nosema zorgt voor een slechte gezondheid van de bijen, ze zijn niet in
staat om als voedsterbij te fungeren en hebben met een korte levensduur.
De remedie is om vele nieuwe raten toe te passen, de kasten te
ontsmetten, raten, die buiten gebruik zijn te ontsmetten met damp van
ijsazijn en door te zorgen voor een goede stuifmeeldracht in de
herfst.
9.6 Natuurlijk afweer tegen ziekten en plagen De natuurlijke afweer tegen andere insecten,
zoogdieren en vogels kennen we al. De bewaking van de vliegopening en in
geval van een aanval het hanteren van de angel van de werkbij met de
daaraan gekoppelde gifblaas. De imker kan de bijen helpen met de afweer
tegen muizen in de winter door de vliegopening tot 7 mm te verkleinen De afweer tegen de varroamijt is in mindere mate
aanwezig. Hierop kan worden geselecteerd, door bijenvolken te kweken die
in staat zijn om de mijten van hun lichaam te verwijderen (hygiënisch
gedrag). De afweer tegen micro-organismen is
anders geregeld dan bij zoogdieren. De bij heeft een systeem dat
generaal werkt tegen allerlei voorkomende ziekteverwekkers en heeft geen
ontwikkelt immuun- systeem. Alle inkomende voedsel wordt door een zeef
(membraan) in de ingewanden gefilterd en ongerechtigheden, waaronder
micro-organismen worden tegengehouden. Ook scheidt de bij antiseptische
stoffen af om bacteriën te doden. De nieuw te beleggen broedcellen
worden voor het gebruik gereinigd en ontsmet. Voorts wordt gebruik
gemaakt van propolis om voorwerpen te ontsmetten. Allerlei vreemde
voorwerpen als dood broed en dode bijen en afval worden de kast
uitgedragen. Het hygiënisch gedrag van bijen is een belangrijk kenmerk
voor natuurlijke en kunstmatige selectie.
10. DE
WINTERRUST
10.1
Nazomer In de maanden augustus/september
bereidt de honingbij Apis mellifera zich voor op de winter. Dat uit zich
in: A. Het verzamelen van voldoende voer, zowel
nectar als stuifmeel, om de wintervoorraad aan te leggen. De
stuifmeelvoorraad wordt in de cellen afgedekt met een laagje honing om
bederf te voorkomen Onder de afdekking gaat het stuifmeel fermenteren en
wordt houdbaar en beter verteerbaar (vergelijkbaar proces als bij
kuilvoer in de landbouw). De honing wordt altijd zo ver mogelijk van de
nestingang opgeborgen om het ver verwijderd te houden van eventuele
rovers. De stuifmeelvoorraad bevindt zich daar onder. B. Het voortbrengen van winterbijen. De winterbijen
verschillen van de zomerbijen doordat zij een extra voedselvoorraad bij
zich dragen in de vorm van een eiwit-vetlichaam. Dit eiwit-vetlichaam
staat ten dienste van de voeding voor de eerste larven die in de loop
van de winter geboren zullen worden. Tevens zijn de winterbijen voorzien
van een extra rekbare endeldarm om de ontlasting ontstaan in de
winterperiode tijdelijk op te slaan. In de
nazomer en herfst worden de dagen korter en zal er geleidelijk aan
steeds minder voedsel voor de bijen te halen zijn. Ook dalen de
gemiddelde dagtemperaturen. Na de eerste nachtvorsten zal er voor de
bijen in het algemeen weinig meer te doen zijn buiten. Bij een
temperatuur beneden de 10 graden Celcius blijven de bijen binnen. De
koningin stopt met het leggen van eieren, circa 1 november. De imker slingert in augustus/september voor de
laatste keer honing. Direct daarop volgend gaat hij de afgenomen
honingvoorraad vervangen door het voeren suikerwater aan de bijen. Dit
kan opgeloste kristalsuiker zijn in de verhouding 1 liter water op 2 kg
suiker of het kan met kant en klare producten, geïnverteerde
suikeroplossingen in jerrycans, verkrijgbaar bij de imkervakhandel.
Totaal moet tenminste 10 a 15 kg suiker worden opgevoerd per bijenvolk.
Het voeren moet gereed zijn voor 1 oktober. Het voeren wordt uitgevoerd
door het plaatsen van een voerbak van 2 liter (of 10 liter) op het
voergat in de dekplank van de bijenkast De bijen nemen twee liter voer
op in 1 of 2 etmalen. Na 14 dagen is het voeren achter de rug en kunnen
de bijen de winter door.
10.2 Winter
Zodra de temperatuur onder de eerder genoemde 10
graden zakt, dan gaat de bijenkolonie een tros vormen op en om de raten.
Een ronde vorm heeft een zo klein mogelijk uitwendig oppervlak, waardoor
er weinig warmte verloren kan gaan. De bijentros hoeft bij afwezigheid
van broed niet meer op 36 graden verwarmd te blijven. De temperatuur in
de buitenkant van de tros zakt tot 15 graden. In het midden van de tros
zal de temperatuur ca. 22 graden zijn. Om de bijen in de buitenste schil
niet te veel te laten afkoelen, zullen deze steeds van plaats gaan
wisselen met bijen binnen in de tros. Na nieuwjaar gaan de dagen lengen
en in februari zal de temperatuur al wat op kunnen lopen op mooie dagen.
De koningin begint in de loop van februari met een klein broednestje. De
bijen kunnen dan vrijwel nooit al uitvliegen. De larven worden dan de
eerste dagen gevoerd door de werksters met behulp van de voedselvoorraad
in het eiwit-vetlichaam en later met de aanwezige opgeslagen
stuifmeelvoorraad.
10.3 Vroege voorjaar Eind februari of begin maart zal de eerste keer de
mogelijkheid zich voordoen om bij een temperatuur van minimaal 10 graden
voor de bijen om uit te vliegen. De eerste keer wordt ook wel de
reinigingsvlucht genoemd. De bijen gaan zich in de vlucht, of zittend op
vooral wit wasgoed, ontlasten. De opgespaarde hoeveelheid secretie in de
opgerekte endeldarm wordt verwijderd. In de loop van maart zal er een
aantal vliegdagen zijn om de stuifmeelvoorraad aan te vullen. Dit zal er
toe leiden dat de koningin wordt gestimuleerd in de eileg en het
broednest wordt uitgebouwd. Ongeveer medio april is de bijenkolonie het
kleinst in omvang, zo´n 10 a 15 duizend bijen. De aanwas van jonge bijen
na dit tijdstip wordt veel groter dan de optredende sterfte van de
winterbijen. De kolonie groeit snel tot eind mei het hoogtepunt wordt
bereikt met een sterkte van 50.000 bijen.
10.4
Voorjaarsinspectie Ongeveer begin april tot
half april bij een temperatuur van tenminste 15 graden zal de imker voor
de eerste keer een inspectie van de bijenvolken uitvoeren. Gekeken
wordt:
- of de
koningin aan de leg is
- of er
sprake is van darrenbroedigheid
- of er
voldoende voer (inclusief stuifmeel) aanwezig is
- of het
aantal met bijen bezette ramen, tenminste 5á 6 is
- hoeveel
ramen bebroed worden, dit moeten tenminste 3 zijn
- of slechte
ramen moeten worden vervangen door nieuwe kunstraten
Indien een volk niet goed
uit de winter is gekomen kan het worden verenigd met een ander volk. In
het voorjaar kan dit gewoon door de kasten op elkaar te plaatsen of de
bijenramen bij elkaar in de kast over te hangen. Er moet echter geen
sprake zijn van ziekteverschijnselen. Ook latere
tijdstippen kunnen bijenvolken ook worden verenigd. Dit moet dan echter
geschieden met de nodige voorzorgsmaatregelen, bijvoorbeeld met de
krantenmethode.
11. OMGAAN
MET BIJEN
11.1
Hulpmiddelen De imker heeft een aantal
hulpmiddelen nodig om met de bijenvolken te kunnen omgaan. Hulpmiddelen Bijenhoed, of
jas of pak gecombineerd met een kap Handschoenen, dun leer met lange
mouwen van stof met aan het einde elastiek Een beitel om kastonderdelen
los te wrikken en ongewenste aanbouwsels van was of kit (propolis) te
verwijderen Een raampjeslichter, veelal gecombineerd met beitel Een
raampjesgrijper of tang om ramen uit de kast te tillen Een beroker, een
Dathepijp of losse beroker met blaasbalg of opwindwerk
11.2 Inspectie Het openen
van een bijenkast moet gepaard gaan met de nodige omzichtigheid. In de
eerste plaats moet je niet in de vlucht gaan staan, dus achter de kast
plaatsnemen. Alle werkzaamheden moeten voorzichtig plaatsvinden, waarbij
vooral schokken en stoten worden vermeden. Ook zijn bijen erg gevoelig
voor vreemde geuren, dus geen parfums, aftershave gebruiken of
benzinelucht aan kleding of alcohollucht in de adem. Weersomstandigheden
zijn van invloed op het gedrag van bijen. De kasten alleen openen bij
goed weer, wanneer veel bijen de kast uit zijn. Indien er onweer op
komst is zijn de bijen agressiever. Niet later op de avond de kasten nog
openen, de bijen gaan op de kleding van de (warme) imker zitten en zijn
nauwelijks nog te verwijderen.
11.3 Handelingen in
volgorde:
- Pijp
aansteken
- Het deksel
van de kast afnemen en op de kop wegleggen
- De dekplank
met behulp van de beitel op een hoek oplichten en enige rook onder het
deksel blazen en dekplank weer laten zakken en twee minuten
wachten
- Dekplank
afnemen en achter je op de kop op de grond wegleggen
- Ramen
loswrikken aan voor- en achterzijde door ze even op te wippen met de
raampjeslichter
- Indien
nodig af en toe spaarzaam enige rook toedienen
- Ramen voor
inspectie uitlichten en bekijken.
Indien de ramen bijvrij
bekeken moeten worden dan de bijen van het raam afslaan door het raam
met één hand aan één oor boven de kast vast te houden en met de andere
hand een klap op het raam te geven vallen de bijen van het raam op de
raten in de kast. Indien meerdere kamers van de kaast bekeken moeten
worden, dan de bakken op het omgekeerde deksel of dekplank wegzetten.
Het is wenselijk de bakken afzonderlijk af te dekken met een vochtige
doek of reserve-dekplank. De afzonderlijke bakken altijd in dezelfde
volgorde en stand terugplaatsen
Het opzoeken van een ongemerkte koningin kan een
lastig en tijdrovend werk zijn. Een hulpmiddel is om een extra
koninginnerooster tussen de broedbakken te leggen. Na enige dagen kan
worden bekeken waar zich eieren bevinden. In de broedbak met eieren
bevindt zich de koningin. Een koningin kan van de raat worden gehaald
door er een vangbuis overheen op de raat te plaatsen en te wachten
totdat de koningin de vangbuis inloopt. In de vangbuis kan de koningin
worden opgesloten en worden gemerkt op het borststuk. Desgewenst kan de
vleugeltip van een vleugel worden geknipt om de koningin het vliegen te
beletten en zodoende zwermen te voorkomen. Werken volgens tevoren
bedacht plan Indien een inspectie van bijenkasten op het programma
staat, trek hier dan steeds ruim voldoende tijd voor uit. Werk volgens
een vooraf bedacht plan en neem alle spullen mee die je (eventueel)
denkt nodig te hebben. Beter te veel bij de hand dan te weinig, vooral
van belang als je op een reisstand staat. Haastig werken met bijen is
altijd uit den boze! Ook het bewegingstempo van je handen in de buurt
van de kast moet altijd in "slow-motion" worden uitgevoerd. Aan snelle
bewegingen hebben bijen de pest! Indien de bijen onverhoopt toch
prikkelbaar zijn is het veelal verstandig om de inspectie uit te stellen
en de kast weer te sluiten. Ga nooit zonder
(goede) persoonlijke beschermingsmiddelen met de bijen aan het
werk.
12. WETENSWAARDIGHEDEN OMTRENT EEN
BIJENVOLK
- Nectar
bevat 30% suikers, honing bevat 80% suikers
- Een bij
vervoert per vlucht circa 20 mg nectar
- Hiervan
blijft 7,5 mg honing over
- Eén pot
honing van 450 gram komt derhalve tot stand door de inspanning van
60.000 bijenvluchten
- Eén bij kan
in zijn leven maximaal 7 gram honing verzamelen, gemiddeld 5
gram
- Tijdens
zijn leven als vliegbij wordt een afstand afgelegd van 800 km
- Voor één
pot honing werken 90 bijen hun leven lang en vliegen totaal 72.000
km
- In het
hoogseizoen, eind mei, legt een koningin tot maximaal 2000 eieren per
etmaal
- Een goede
koningin kan in haar leven van 3 a 4 jaar tot maximaal 200.000 eitjes
leggen
- Er bevinden
zich 4 werkstercellen per cm2 op de raat
- Eén
broedraam heeft een oppervlakte van 673 cm2
- Twee zijden
van het raam dus 1346 cm2
- Tien
broedramen hebben een raatoppervlak van 13460 cm2
- Er bevinden
zich derhalve ongeveer 54.000 cellen in een broedkamer
- De koningin
kan in theorie op topcapaciteit in 27 dagen de broedkamer vol
leggen
- De
bijenkast bevat gebruikelijk 2 broedkamers, er blijft dus ruimte voor
een voer- en stuifmeelrand rond het broednest.
13. NA DE KENNISMAKINGSCURSUS en dan...
13.1 Algemeen Deze cursus is opgezet om mensen met het fenomeen
bijen te laten kennismaken. En dat het niet zo maar een diertje is hebt
u wel begrepen. Er valt zo veel over te vertellen omdat er al honderden
jaren door de mens met bijenvolken wordt gewerkt om te kunnen profiteren
van de honing, de was, de koninginnegelei en propolis. De honingbij is
het meest bestudeerde insect ter wereld. En toch blijf je als mens je
elke keer weer verbazen over de bijen. Geen jaar is hetzelfde. Na de
cursus kun je denken het is leuk geweest, ik heb er veel van opgestoken,
maar bijenhouden dat gaat me toch (misschien voor dit moment) te ver.
Maar ook dan is de cursus voor onze organisatie geslaagd te noemen!
Misschien wil je toch zijdelings betrokken blijven, dan is het
donateurschap een mogelijkheid voor > € 8 per jaar. Je ontvangt als
donateur vijf maal per jaar het verenigingsblad Bijproat en elk jaar een
pot honing. Of je zegt tegen jezelf, ik wil de bijen niet meer missen,
geen dag. Zelf imkeren lijkt me het einde. Dan kunnen we jou als
Imkervereniging Zuidlaren verder helpen. Daar gaat het onderstaande
over.
13.2 Nederlandse Bijenhouders Vereniging De Imkersvereniging is een subvereniging van de NBV
de Ned. Bijenhouders Vereniging, gevestigd in Wageningen. Meer
informatie over de VBBN kunt u lezen op de website van de NBV http://www.bijenhouders.nl
13.3 Word lid van de Imkersvereniging
Zuidlaren Stuur een email naar de
secretaris.
14. BOEKENLIJST
- Bijenhouden, Maandblad voor Imkers, Uitgave
Nederlandse Bijenhouders Vereniging
- Bijenteelt,
Maandschrift voor de Bijenteelt, uitgave van de NBV
- Gould, J.L.
en C.G.Gould, 1988. De honingbij. Een samenleving van kleine giganten.
Natuur en Techniek, Maastricht.
- Ham,
R.W.J.M. van der, J.P. Kaas, J.D. Kerkvliet en A. Neve, 1999.
Pollenanalyse.
- Stuifmeelonderzoek van honing voor imkers, scholen
en laboratoria. Uitgave Stichting landelijk proefbedrijf voor
insectenbestuiving en bijenhouderij Ambrosiushoeve,
Hilvarenbeek.
- Hensels,
L.G.M., 1989. Drachtplantengids voor de bijenteelt. Pudoc,
Wageningen.
- Roever,
J.G. de, 1948. Bijen en bijenhouden. Ahrend en zoon, Amsterdam.
- Schotman,
J.W., 1983. Handboek der moderne bijenteelt. Konstapel,
Groningen.
- Speelziek,
J.J., 1983. Werkboek bijenhouden. Zomer en Keuning, Ede.
- Speelziek,
J.J., J. Beetsma, H.H.W. Velthuis e.a., 1987. Imkersencyclopedie voor
Nederland en België. Zomer en Keuning, Ede.
- Zeiler, C.,
1983. 300 tips voor het houden van bijen. Thieme, Zutphen.
terug
|